Tag

Beoordelingscriteria

Beoordelingscriteria

By | 2020, 2025

Criteria voor de beoordeling van het subsidiedossier

1. De bijdrage van de missie en de visie van de sociaal-culturele organisatie tot het doel van het decreet
  • De organisatie heeft een duidelijke en geëxpliciteerde missie en visie.
  • De organisatie expliciteert haar ambities om bij te dragen aan de emancipatie van mensen en groepen, en aan de versterking van een democratische, duurzame, inclusieve en solidaire samenleving door:
    • aan te geven hoe ze sociaal-culturele participatie van volwassenen bevordert,
    • aan te geven welke samenlevingsvraagstukken ze wil behandelen en tot publieke zaak maakt,
    • aan te geven hoe en welke maatschappelijke praktijken ze zal ontwikkelen en verspreiden die daarop een werkend antwoord bieden.
2. De relatie van de missie en de visie van de sociaal-culturele organisatie tot de actuele maatschappelijke context die ze zelf omschreven heeft.
  • In een maatschappelijke contextanalyse expliciteert welke ontwikkelingen relevant zijn in relatie tot haar missie en visie.
  • De organisatie geeft aan welke maatschappelijke ontwikkelingen ze effectief als uitdaging wil aangrijpen om een werking rond te ontplooien en welke impact ze hierbij nastreeft.
3. De bijdrage van de sociaal-culturele organisatie tot de realisatie van de drie sociaal-culturele rollen.
  • De organisatie expliciteert haar visie op de verbindende rol en hoe ze via haar werking die rol zal waarmaken.
  • De organisatie expliciteert haar visie op de kritische rol en hoe ze via haar werking die rol zal waarmaken.
  • De organisatie expliciteert haar visie op de laboratoriumrol en hoe ze via haar werking die rol zal waarmaken.
4. De strategische en operationele doelstellingen van de sociaal- culturele organisatie.
  • De organisatie heeft een onderbouwd en samenhangend geheel van strategische en operationele doelstellingen die ze wenst te realiseren in de komende beleidsperiode.
  • De organisatie expliciteert de relatie tussen haar eigen doelen en haar missie, visie en de actuele maatschappelijke context die ze zelf omschreven heeft.
5. De verduidelijking van de keuze voor minstens twee sociaal- culturele functies en de uitwerking daarvan in relatie tot de missie en de visie van de sociaal-culturele organisatie
  • De organisatie geeft  aan op welke functies ze wil inzetten en verantwoordt haar keuze.
  • De organisatie heeft een onderbouwde visie op de gekozen functiemix en de onderscheiden functies.
  • De organisatie expliciteert welke werkwijze de organisatie wil hanteren om de gekozen functies te realiseren.

Voor de cultuurfunctie:

  1. De visie op cultuur in relatie tot de missie van de organisatie;
  2. Een verantwoorde toekomstige werkwijze van de organisatie om praktijken op te zetten die er op gericht zijn cultuur te creëren, te bewaren, te delen en er aan deel te nemen.

Voor de leerfunctie:

  1. De visie op leren in relatie tot de missie van de organisatie;
  2. Een verantwoorde toekomstige werkwijze om leeromgevingen op te zetten.

voor de gemeenschapsvormende functie:

  1. De visie op groepen en gemeenschappen en interacties daartussen in relatie tot de missie van de organisatie;
  2. Een verantwoorde toekomstige werkwijze om processen te ondersteunen en te faciliteren die leiden tot het vormen van groepen en gemeenschappen of tot interacties tussen groepen en gemeenschappen;

Voor de maatschappelijke bewegingsfunctie:

  1. De visie op engagement en politisering en op relevante samenlevingsvraagstukken in relatie tot de missie van de organisatie;
  2. Een verantwoorde toekomstige werkwijze om praktijken op te zetten waarin ruimte voor engagement en politisering wordt gecreëerd in relatie tot samenlevingsvraagstukken.
6. De werking met een relevantie en uitstraling voor het Nederlandse taalgebied of de werking met een relevantie en uitstraling voor het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad
  • De organisatie expliciteert waar de werking waarvoor ze een subsidie aanvraagt zich zal afspelen door kerngegevens en cijfers over aanwezigheid, zichtbaarheid, bereik of effect van de al eerder gerealiseerde sociaal-culturele werking aan te reiken.
  • De organisatie staaft dat haar werking een  relevantie en uitstraling in het Nederlandse taalgebied of het Nederlandse taalgebied plus het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
7. Een gesubsidieerde werking die zich grotendeels afspeelt binnen de vrije tijd
  • De organisatie toont aan dat de werking waarvoor ze een subsidie aanvraagt zich aantoonbaar en hoofdzakelijk afspeelt binnen de vrije tijd van volwassenen;
  • Het gedeelte van de werking dat zich in voorkomend geval uitzonderlijk buiten de vrije tijd afspeelt omschrijft en verantwoordt de organisatie vanuit de missie en visie.
8. De werking voor het brede publiek en de keuzes daarin op het vlak van gemeenschappen, doelgroepen of kansengroepen of de werking voor kansengroepen en de keuzes daarin voor gemeenschappen, doelgroepen of het brede publiek.
  • De organisatie expliciteert haar werking voor het brede publiek en welke keuzes ze daarin maakt naar doelgroepen, gemeenschappen of kansengroepen of de organisatie expliciteert haar werking voor (een of meer) specifieke kansengroepen en welke keuzes ze daarin maakt op het vlak van doelgroepen, gemeenschappen of het brede publiek.
  • Binnen de gemaakte keuzes expliciteert en verantwoordt de organisatie haar toekomstige beleid en aanpak om sociaal-culturele participatie van iedereen na te streven of de organisatie expliciteert en verantwoordt haar toekomstige beleid en aanpak die ze wil hanteren om sociaal-culturele participatie van die kansengroepen te realiseren.
9. De plaats van vrijwilligers in de organisatie en de manier waarop ze betrokken en ondersteund worden.
  • De organisatie geeft aan welke rollen en taken vrijwilligers opnemen in de organisatie of werking.
  • De organisatie expliciteert haar toekomstige ondersteuningsbeleid ten aanzien van vrijwilligers en hoe ze betrokkenheid, inspraak en participatie van vrijwilligers in de organisatie vorm wil geven.
1. Een geïntegreerd zakelijk kwaliteits- en financieel meerjarenbeleid
  • De organisatie expliciteert hoe ze professioneel beleid zal voeren.
  • De organisatie expliciteert hoe ze een integraal kwaliteitsbeleid zal voeren.
  • De organisatie expliciteert een onderbouwd en realistisch financieel meerjarenbeleid.
2. De toepassing van principes van goed bestuur
  • De organisatie geeft aan hoe ze transparantie en verantwoording van en in haar bestuur zal organiseren.
  • De organisatie expliciteert vanuit haar missie en doelen de samenstelling van de bestuursorganen en hun rol- en bevoegdheidsverdeling.
  • Het bestuur geeft aan hoe ze interne en externe stakeholders betrokken heeft bij strategische beslissingen die genomen zijn in het kader van het ingediende beleidsplan.
3. De afstemming tussen het inhoudelijke en zakelijke deel van het beleidsplan
  • De organisatie verantwoordt hoe ze haar financiën, mensen en middelen zal inzetten ter realisatie van de strategische en operationele doelstellingen.

Een beoordelingselement scoren

De beoordeling van elk afzonderlijk beoordelingselement wordt gevormd door het scoren van onderliggende beoordelingscriteria.

  • Een beoordelingselement krijgt het oordeel “voldoet” als op alle onderliggende criteria ”voldoende” is gescoord.
  • Een beoordelingselement krijgt het oordeel ‘voldoet ten dele’ als op minstens één van de onderliggende criteria voor dat beoordelingselement ‘voldoet ten dele’ is gescoord.
  • Een beoordelingselement krijgt het oordeel ‘onvoldoende’ als op minstens één van onderliggende criteria voor dat beoordelingselement ‘onvoldoende’” is gescoord.