Evalutatiecriteria 2018

Beoordelingselementen

Evaluatiecriteria

1° de wijze waarop de vier functies, vermeld in artikel 2, 8°, worden gerealiseerd;
  • De organisatie heeft een onderbouwde visie op de vier functies;
  • De organisatie geeft weer in welke mate elke functie in de werking wordt gerealiseerd en verantwoordt de keuzes die tot die verhouding hebben geleid;
  • De organisatie expliciteert welke werkwijze(n) ze hanteert om de vier functies te realiseren.
2° de wijze van begeleiding van de afdelingen of groepen: de ontwikkeling van het afdelingswerk en groepswerk, het aantal afdelingen of groepen;
  • De organisatie verantwoordt welke strategie zij volgt op het vlak van het aantal afdelingen en groepen;
  • De  organisatie verantwoordt hoe zij het afdelings- en groepswerk ontwikkelt;
  • De organisatie motiveert en verduidelijkt hoe zij de begeleiding van de afdelingen of groepen vorm geeft.
3° het beleid ten aanzien van de vrijwilliger;
  • De organisatie maakt duidelijk wat zij onder vrijwilligerswerk verstaat en legt haar visie over het vrijwilligersbeleid uit.
  • De organisatie geeft aan welke strategie zij volgt om die visie in praktijk te brengen.
  • De organisatie toont aan hoe ze betrokkenheid, inspraak en participatie van vrijwilligers in de organisatie vorm geeft.
4° de acties met het oog op de verdieping en verbreding van de participatie;
  • De organisatie verduidelijkt en motiveert haar strategieën rond het verbreden van participatie van leden, niet-leden en eventueel specifieke doelgroepen, en rond het op meer intensieve wijze bereiken van de geviseerde doelgroep(en);
  • De organisatie verduidelijkt welke acties zij met het oog op de verbreding en verdieping van de participatie voert.
5° de communicatie met de leden;
  • De organisatie geeft aan welke strategieën ze hanteert om met haar leden te communiceren;
  • De organisatie geeft aan op welke manier ze die strategieën concretiseert in acties.
6° het ontwikkelen van acties en activiteiten met een landelijk karakter;
  • De  organisatie geeft aan welke strategieën ze hanteert om acties en activiteiten met een landelijk karakter te ontwikkelen;
  • De organisatie geeft aan op welke manier ze die strategieën concretiseert in acties.
7° het ontwikkelen van vernieuwende en bijzondere activiteiten;
  • De organisatie geeft aan welke vernieuwende en bijzondere activiteiten zij realiseert;
  • De organisatie motiveert waarom deze activiteiten vernieuwend en bijzonder zijn voor de vereniging.
8° de aanpak van de diversiteit met specifieke aandacht voor interculturaliteit;
  • De organisatie geeft haar visie op diversiteit in de samenleving en hoe ze zich daartegenover positioneert, en ze geeft aan welke inspanningen ze levert om met diversiteit in de samenleving en in de vereniging om te gaan;
  • De organisatie geeft haar visie op interculturaliteit en hoe ze zich daartegenover positioneert, en ze geeft aan welke inspanningen ze levert om interculturaliteit te stimuleren.
9° de samenwerking en netwerkvorming met andere organisaties;
  • De organisatie motiveert en verduidelijkt hoe en met wie ze zich verbindt en aan netwerkvorming doet;
  • De organisatie motiveert en toont aan welke initiatieven ze in samenwerking met andere organisaties onderneemt of welke inspanningen ze levert om samenwerking te stimuleren.
10° de manier waarop in de werking rekening gehouden wordt met principes van integrale kwaliteitszorg;
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt haar integrale kwaliteitsbeleid;
  • De organisatie verduidelijkt de gekozen verbeterstrategieën en de bijhorende realisaties.
11° de zorg voor professionalisering en professionaliteit;
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt haar beleid rond professionalisering en ontwikkeling;
  • De organisatie toont aan welke initiatieven ze ter uitvoering van dat beleid onderneemt.

Beoordelingselementen

Evaluatiecriteria

a) de knowhow en expertise van de beweging met betrekking tot het thema of het cluster; de wijze waarop die expertise verder wordt ontwikkeld; de wijze waarop de knowhow wordt ontsloten;
  • De organisatie toont haar knowhow over en expertise in het thema of het cluster aan;
  • De organisatie toont aan hoe ze die expertise verder ontwikkelt;
  • De organisatie toont aan hoe ze de expertise ontsluit..
b) de aanpak van diversiteit, met specifieke aandacht voor interculturaliteit;
  • De organisatie geeft haar visie op diversiteit in de samenleving en hoe ze zich daartegenover positioneert, en geeft aan welke inspanningen ze levert om met diversiteit in de samenleving en hoe ze zich daar tegenover positioneert, en geeft aan welke inspanningen ze levert om met diversiteit in de samenleving en in de organisatie om te gaan;
  • De organisatie geeft haar visie op interculturaliteit en hoe ze zich daartegenover positioneert, en geeft aan welke inspanningen ze levert om interculturaliteit te stimuleren.
c) de wijze waarop het ruime publiek rechtstreeks of onrechtstreeks wordt benaderd, inclusief de inspanning om andere publieksgroepen aan te trekken;
  • De organisatie motiveert en toont aan welke kanalen, methoden, communicatiemiddelen ze gebruikt om het ruime publiek te benaderen;
  • De organisatie motiveert en toont aan welke inspanningen ze levert om andere publieksgroepen aan te trekken.
d) de creativiteit, de diversiteit en de originaliteit van de gehanteerde methoden, evenals de effectiviteit ervan;
  • De organisatie expliciteert de diversiteit van de methoden die ze hanteert;
  • De organisatie toont aan waarom de gehanteerde methoden origineel en creatief zijn;
  • De organisatie toont aan dat de gehanteerde methoden effectief zijn met het oog op de te bereiken doelen.
e) de communicatie met het publiek, de aandacht voor de media;
  • De organisatie geeft aan welke strategieën ze hanteert om te communiceren met het brede publiek en op welke manier ze die strategieën concretiseert in acties;
  • De organisatie toont aan welke inspanningen ze levert om de aandacht van de media te trekken.
f) de aard en de omvang van de educatieve activiteiten en de werkmaterialen;
  • De organisatie toont aan op welke manier ze invulling geeft aan de educatieve activiteiten;
  • De organisatie toont aan welke werkmaterialen ze ontwikkelt en gebruikt.
g) de acties en de campagnes;
  • De organisatie verantwoordt de planning van haar acties en campagnes;
  • De organisatie toont de aard en de omvang van de acties en campagnes aan.
h) de samenwerking en netwerkvorming met andere organisaties;
  • De organisatie motiveert en verduidelijkt hoe en met wie ze zich verbindt en aan netwerkvorming doet;
  • De organisatie motiveert en toont aan welke initiatieven ze in samenwerking met andere organisaties neemt of welke inspanningen ze levert om samenwerking te stimuleren.
i) het engagement van vrijwilligers en bestuurders;
  • De organisatie toont aan op welke manier vrijwilligers en bestuurders betrokken worden bij de organisatie;
  • De organisatie toont aan op welke manier vrijwilligers en bestuurders meewerken aan de uitbouw van de organisatie.
j) de zorg voor professionaliteit en professionalisering;
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt haar beleid rond professionalisering en ontwikkeling.
  • De organisatie toont aan welke initiatieven zij in uitvoering van dat beleid onderneemt.
k) de manier waarop in de werking rekening wordt gehouden met principes van integrale kwaliteitszorg;
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt haar integrale kwaliteitsbeleid;
  • De organisatie verduidelijkt de gekozen verbeterstrategieën en de bijhorende realisaties.

Beoordelingselementen

Evaluatiecriteria

1. de landelijke spreiding van het aanbod en/of het publiek;
  • De organisatie toont aan dat haar aanbod en/of publieksbereik verspreid is over minstens vier Vlaamse provincies. Het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wordt beschouwd als een Vlaamse provincie.
2. het beleid ten aanzien van de deelnemers (bestaande en beoogde doelgroepen) en de link naar het communicatiebeleid;
  • De organisatie verduidelijkt welk beleid ze voert ten aanzien van haar deelnemers en de inspanningen die ze levert voor de publieksverbreding en de publieksvernieuwing;
  • De organisatie verheldert de communicatiestrategieën die worden gehanteerd om de deelnemers, zowel de bestaande als de beoogde doelgroepen, te bereiken;
3. de samenwerking met de volkshogescholen; (enkel voor de gespecialiseerde vormingsinstellingen)
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt vanuit haar specifieke beleidsopties haar samenwerking met de diverse volkshogescholen, gevestigd in verschillende regio’s;
  • De organisatie toont aan welke samenwerkingen met volkshogescholen werden gerealiseerd.
4. de zorg voor professionalisering en professionaliteit
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt haar beleid rond professionalisering en ontwikkeling.
  • De organisatie toont aan welke initiatieven ze ter uitvoering van dat beleid neemt.
5. het aantal uren programma’s; (n.v.t. voor de federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap)
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt de keuzes over de omvang van het educatieve aanbod;
  • De vormingsinstelling verduidelijkt de omvang en invulling van de gerealiseerde subsidieerbare uren;
6. de netwerkvorming en samenwerking
  • De organisatie motiveert en verduidelijkt hoe en met wie ze zich verbindt en aan netwerkvorming doet;
  • De organisatie motiveert en toont aan welke initiatieven ze in samenwerking met andere organisaties neemt of welke inspanningen ze levert om samenwerking te stimuleren.
7. de manier waarop invulling wordt gegeven aan de culturele functie; (n.v.t. voor de federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap)
  • De organisatie heeft een onderbouwde visie op de culturele functie;
  • De organisatie geeft weer op welke manier en in welke mate ze de culturele functie in haar werking realiseert en ze verantwoordt haar keuzes.
8. de manier waarop invulling wordt gegeven aan de gemeenschapsvormende functie
  • De organisatie heeft een onderbouwde visie op de gemeenschapsvormende functie;
  • De organisatie geeft weer op welke manier en in welke mate ze de gemeenschapsvormende functie in haar werking realiseert en ze verantwoordt haar keuzes.
9. de manier waarop in de werking rekening wordt gehouden met principes van integrale kwaliteitszorg;
  • De organisatie expliciteert en verantwoordt haar integraal kwaliteitsbeleid;
  • De organisatie verduidelijkt de gekozen verbeterstrategieën en de bijhorende realisaties.
10. de aanpak van de diversiteit met specifieke aandacht voor interculturaliteit;
  • De organisatie geeft haar visie op diversiteit in de samenleving en hoe ze zich daartegenover positioneert, en ze geeft aan welke inspanningen ze levert om met diversiteit in de samenleving en in de vereniging om te gaan;
  • De organisatie geeft haar visie op interculturaliteit en hoe ze zich daartegenover positioneert, en ze geeft aan welke inspanningen ze levert om interculturaliteit te stimuleren.
11. het engagement ten aanzien van de door de Vlaamse Regering geformuleerde beleidsprioriteiten (enkel voor de gespecialiseerde vormingsinstellingen) n.v.t.
12. de samenwerking binnen de federatie (enkel voor de vormingsinstellingen en -dienst voor personen met een handicap)
  • De federatie expliciteert de finaliteit en de doelstellingen van de samenwerking met de andere vormingsinstellingen/-diensten binnen de federatie;
  • De federatie verduidelijkt op welke wijze er samengewerkt wordt met de andere vormingsinstellingen/-diensten binnen de federatie.
13. De manier waarop invulling wordt gegeven aan de educatieve functie (enkel voor de federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap)
  • De vormingsdienst heeft een onderbouwde visie op de educatieve functie;
  • De vormingsdienst geeft weer op welke manier en in welke mate de educatieve functie in de werking wordt gerealiseerd en verantwoordt de keuzes.
14. De manier waarop invulling wordt gegeven aan de maatschappelijke activeringsfunctie (enkel voor de federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap)
  • De vormingsdienst heeft een onderbouwde visie op de maatschappelijke activeringsfunctie;
  • De vormingsdienst geeft weer op welke manier en in welke mate de maatschappelijke activeringsfunctie in de werking wordt gerealiseerd en verantwoordt de keuzes.